You are here

Europese richtlijnen inzake veiligheid en gezondheid op het werk

European directives on safety and health at work

Artikel 153 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie stelt de EU in staat richtlijnen aan te nemen op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk (VGW). De Kaderrichtlijn, met het brede toepassingsgebied, en verdere richtlijnen gericht op specifieke aspecten van veiligheid en gezondheid op het werk vormen de basis van Europese wetgeving ten aanzien van veiligheid en gezondheid.

Het is lidstaten toegestaan strengere regels te hanteren ter bescherming van werknemers wanneer zij Europese richtlijnen omzetten in nationaal recht. Daarom kunnen wettelijke vereisten op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk in de verschillende Europese lidstaten variëren.

Richtlijnen per onderwerp

De samenvattingen zijn alleen beschikbaar in het Engels, maar de links aan het eind van elke samenvatting leiden naar de volledige tekst van de richtlijn in alle EU-talen.

Naast de kaderrichtlijn is er een reeks individuele richtlijnen aangenomen die gericht zijn op specifieke aspecten van veiligheid en gezondheid op het werk. Dat neemt niet weg dat de kaderrichtlijn blijft gelden voor alle terreinen die onder de individuele richtlijnen vallen. In het geval dat de individuele richtlijnen strengere en meer specifieke bepalingen bevatten, hebben deze speciale bepalingen voorrang. Aan de hand van de individuele richtlijnen worden de beginselen van de kaderrichtlijn op het volgende toegespitst:

  • Specifieke taken (bv. het manueel hanteren van lasten)
  • Specifieke gevaren op het werk (bv. blootstelling aan gevaarlijke stoffen of fysieke agentia)
  • Specifieke werkplaatsen en sectoren (bv. tijdelijke werklocaties, winningsindustrieën, vissersvaartuigen)
  • Specifieke groepen werknemers (bv. zwangere vrouwen, jonge werknemers, werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd)
  • Bepaalde werkgerelateerde aspecten (bv. de organisatie van de arbeidstijd)

In de individuele richtlijnen wordt gedefinieerd hoe deze risico‘s moeten worden beoordeeld en in sommige gevallen worden de grenswaarden voor bepaalde stoffen of agentia vastgesteld.

Daarnaast heeft een reeks EU-richtlijnen op grond van artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betrekking op veiligheids- en gezondheidsaspecten. Op deze rechtsgrondslag is in het kader van de zogeheten ‘Nieuwe aanpak’ een reeks technische richtlijnen aangenomen. Op grond hiervan kunnen de Europese normalisatie-instellingen – het Europees Comité voor Normalisatie (CEN), het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie (Cenelec) en het Europees Instituut voor Telecommunicatienormen (ETSI) – de Europese normen vaststellen en op regelmatige basis aanpassen.

Europees wetgevingsproces 

In de communautaire strategie voor veiligheid en gezondheid op het werk 2014–2020 wordt het politieke kader voor het Europese beleid inzake veiligheid en gezondheid uiteengezet. Alle wetsinitiatieven op Europees niveau beginnen bij een wetsvoorstel dat wordt opgesteld door de Europese Commissie. Het zijn de Raad en het Europees Parlement die vervolgens op grond van de gewone wetgevingsprocedure de EU-richtlijnen aannemen. In sommige gevallen wordt de wetgevende macht om richtlijnen aan te nemen ten behoeve van de technische voortgang gedelegeerd aan de Europese Commissie.

De Europese sociale partners spelen een voorname rol binnen het Europese besluitvormingsproces inzake veiligheid en gezondheid op het werk, aangezien zij gedurende meerdere fasen worden geraadpleegd. Ook voorziet het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in de mogelijkheid om autonome overeenkomsten te sluiten. Tot op heden heeft de Europese sociale dialoog geresulteerd in de goedkeuring van diverse autonome overeenkomsten.

Historische achtergrond van de wetgeving inzake veiligheid en gezondheid

De eerste Europese richtlijnen inzake veiligheid en gezondheid op het werk zijn aangenomen op basis van de algemene bepalingen inzake harmonisering van de markt. Dit kwam doordat tot halverwege de jaren 1980 geen uitdrukkelijke wettelijke bevoegdheid op het vlak van veiligheid en gezondheid op het werk in het Verdrag was vastgelegd. Tot die tijd werden veiligheid en gezondheid op het werk gezien als een bijwagen van de marktharmonisering en het economische beleid van de Europese Economische Gemeenschap. Op deze basis werden bijvoorbeeld Richtlijn 77/576/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de veiligheidssignalering op de arbeidsplaats, en Richtlijn 78/610/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de bescherming van de gezondheid van werknemers die aan vinylchloridemonomeer zijn blootgesteld, aangenomen.

De Europese Akte van 1987 betekende een grote stap voorwaarts in de zin dat er een nieuwe wetsbepaling werd geïntroduceerd inzake het sociaal beleid van het Verdrag. Deze was gericht op verbetering van met name het arbeidsmilieu, met als doel de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen. Door deze bepaling in het Verdrag op te nemen werd het belang van veilige arbeidsomstandigheden expliciet gemaakt. Bovendien werd de Europese Commissie door het nieuwe sociale hoofdstuk bevoegd om de sociale dialoog tussen werkgevers en vakbonden op Europees niveau te bevorderen.

Aan de hand van het Verdrag van Amsterdam van 1997 werd de wettelijke bevoegdheid op het vlak van Europees sociaal beleid verder uitgebreid door de opname van de sociale overeenkomst in het EG-Verdrag. In het Verdrag van Lissabon blijft, afgezien van de hernummering van de artikelen inzake sociaal beleid, de inhoud van de bepalingen van de oude artikelen 136 en volgende van het VEG (nu artikelen 151 en volgende van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) behouden.