Europese richtlijnen
Een richtlijn is een rechtshandeling waarin het EU-Verdrag voorziet. Een richtlijn is in zijn geheel bindend en verplicht de lidstaten om de inhoud ervan binnen een bepaalde termijn om te zetten in nationale wetgeving. Een richtlijn gaat van kracht zodra deze wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de EU.
De rechtsgrondslag van de EU-richtlijnen inzake veiligheid en gezondheid op het werk is te vinden in artikel 153 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (oud artikel 137 VEG), waarin de EU de bevoegdheid wordt verleend om op dit vlak richtlijnen aan te nemen. Sindsdien is een breed scala aan EU-richtlijnen aangenomen, waarin de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor de bescherming van werknemers uiteen worden gezet. Bij de omzetting van EU-richtlijnen in nationale wetgeving staat het de lidstaten vrij strengere regels voor de bescherming van werknemers aan te nemen. Om die reden kunnen de wettelijke voorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het werk per EU-lidstaat verschillen.
Op deze pagina is de informatie over EU-richtlijnen ingedeeld op onderwerp. Klik voor meer informatie over een specifieke EU-richtlijn op een van de onderstaande categorieën.
De samenvattingen zijn alleen beschikbaar in het Engels , maar de links aan het eind van elke samenvatting leiden naar de volledige tekst van de richtlijn in alle EU-talen.
- De kaderrichtlijn veiligheid en gezondheid op het werk
- Werkplaatsen, arbeidsmiddelen, signalering en persoonlijke beschermingsmiddelen
- Blootstelling aan chemische agentia en chemische veiligheid
- Blootstelling aan fysieke gevaren
- Blootstelling aan biologische agentia
- Bepalingen inzake werklast, en ergonomische en psychosociale risico's
- Sectorspecifieke en werknemergerelateerde bepalingen
In de communautaire strategie voor veiligheid en gezondheid op het werk wordt het politieke kader voor het Europese beleid inzake veiligheid en gezondheid uiteengezet. Alle wetsinitiatieven op Europees niveau beginnen bij een wetsvoorstel dat wordt opgesteld door de Europese Commissie . Het zijn de Raad en het Europees Parlement die vervolgens op grond van de gewone wetgevingsprocedure (voorheen de medebeslissingsprocedure) de EU-richtlijnen aannemen. In sommige gevallen wordt de wetgevende macht om richtlijnen aan te nemen ten behoeve van de technische voortgang gedelegeerd aan de Europese Commissie.
De Europese sociale partners spelen een voorname rol binnen het Europese besluitvormingsproces inzake veiligheid en gezondheid op het werk, aangezien zij gedurende meerdere fasen worden geraadpleegd. Ook voorziet het verdrag in de mogelijkheid om autonome overeenkomsten te sluiten. Tot op heden heeft de Europese sociale dialoog geresulteerd in de goedkeuring van diverse autonome overeenkomsten.
Op basis van de kaderrichtlijn is een reeks individuele richtlijnen aangenomen, gericht op specifieke aspecten van veiligheid en gezondheid op het werk. Dat neemt niet weg dat de kaderrichtlijn blijft gelden voor alle terreinen die onder de individuele richtlijnen vallen. In het geval dat de individuele richtlijnen strengere en meer specifieke bepalingen bevatten, hebben deze speciale bepalingen voorrang. Aan de hand van de individuele richtlijnen worden de beginselen van de kaderrichtlijn op het volgende toegespitst:
- specifieke taken (bijvoorbeeld het manueel hanteren van lasten);
- specifieke gevaren op het werk (bijvoorbeeld blootstelling aan gevaarlijke stoffen of fysieke agentia);
- specifieke werkplaatsen en sectoren (bijvoorbeeld tijdelijke werklocaties, winningsindustrieën, vissersvaartuigen);
- specifieke groepen werknemers (bijvoorbeeld zwangere vrouwen, jonge werknemers, werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd);
- bepaalde werkgerelateerde aspecten (bijvoorbeeld de organisatie van de arbeidstijd).
In de individuele richtlijnen wordt gedefinieerd hoe deze risico's moeten worden beoordeeld. In sommige gevallen worden de grenswaarden voor bepaalde stoffen of agentia vastgesteld.
De in deze individuele richtlijnen opgenomen normen vormen de minimumnormen voor de bescherming van werknemers . Het staat de lidstaten vrij deze normen aan te houden, dan wel een hogere mate van bescherming in te stellen.
Daarnaast heeft een reeks EU-richtlijnen op grond van artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (oud artikel 95 VEG) betrekking op veiligheids- en gezondheidsaspecten. Op deze rechtsgrondslag is in het kader van de zogeheten 'Nieuwe aanpak' een reeks technische richtlijnen aangenomen. Op grond hiervan kunnen de Europese normalisatie-instellingen – het Europees Comité voor normalisatie (CEN), het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (CENELEC) en het Europees Instituut voor telecommunicatienormen (ETSI) – de Europese normen vaststellen en op regelmatige basis aanpassen.
Historische achtergrond van de wetgeving inzake veiligheid en gezondheid
De eerste Europese richtlijnen inzake veiligheid en gezondheid op het werk zijn aangenomen op basis van de algemene bepalingen inzake harmonisering van de markt (oud artikelen 100 en 100a VEG). Dit kwam doordat tot halverwege de jaren tachtig geen uitdrukkelijke wettelijke bevoegdheid op het vlak van veiligheid en gezondheid op het werk in het Verdrag was vastgelegd. Tot die tijd werden veiligheid en gezondheid op het werk gezien als een bijwagen van de marktharmonisering en het economische beleid van de Europese Economische Gemeenschap. Op deze basis werden bijvoorbeeld Richtlijn 77/576/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de veiligheidssignalering op de arbeidsplaats, en Richtlijn 78/610/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de bescherming van de gezondheid van werknemers die aan vinylchloridemonomeer zijn blootgesteld, aangenomen.
De Europese Akte van 1987 betekende een grote stap voorwaarts in de zin dat er een nieuwe wetsbepaling werd geïntroduceerd inzake het sociaal beleid van het Verdrag. Deze was gericht op verbetering van met name het arbeidsmilieu, met als doel de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen. Door deze bepaling in het Verdrag op te nemen werd het belang van veilige arbeidsomstandigheden expliciet gemaakt. Bovendien werd de Europese Commissie door het nieuwe sociale hoofdstuk bevoegd om de sociale dialoog tussen werkgevers en vakbonden op Europees niveau te bevorderen.
Aan de hand van het Verdrag van Amsterdam van 1997 werd de wettelijke bevoegdheid op het vlak van Europees sociaal beleid verder uitgebreid door de opname van de sociale overeenkomst in het EG-Verdrag. In het Verdrag van Lissabon blijft, afgezien van de hernummering van de artikelen inzake sociaal beleid, de inhoud van de bepalingen van de oude artikelen 136 en volgende van het VEG (nu artikelen 151 en volgende van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) behouden.

